uitwerken
Néerlandais
Verbe
Présent | Prétérit | |
---|---|---|
ik | werk uit | werkte uit |
jij | werkt uit | |
hij, zij, het | werkt uit | |
wij | werken uit | werkten uit |
jullie | werken uit | |
zij | werken uit | |
u | werkt uit | werkte uit |
Auxiliaire | Participe présent | Participe passé |
zijn | werken uitd | uitgewerkt |
uitwerken \Prononciation ?\ intransitif ou transitif
- Agir, opérer, être efficace.
- Je moet die pillen eerst rustig laten uitwerken.
- Il faut commencer par laisser agir ces pillules.
- Je moet die pillen eerst rustig laten uitwerken.
- Ne plus agir.
- Het medicijn is uitgewerkt.
- Le médicament ne fait plus d’effet.
- Het medicijn is uitgewerkt.
- (Transitif) Élaborer, développer.
- Een onderzoek uitwerken.
- Analyser une étude.
- Een onderzoek uitwerken.
- (Transitif) Résoudre.
- Een probleem uitwerken.
- Résoudre un problème.
- Een probleem uitwerken.
- (Transitif) (Arts) Sculpter, travailler, ciseler.
Synonymes
- agir
- inwerken
- invloed hebben
- effect sorteren
- werken
- ne plus agir
- uitgewerkt zijn
- geen invloed meer hebben
- geen effect meer hebben
- niet meer werken
- élaborer
- résoudre
Prononciation
→ Prononciation manquante. (Ajouter)
- (Région à préciser) : écouter « uitwerken [Prononciation ?] »
Cet article est issu de Wiktionary. Le texte est sous licence Creative Commons - Attribution - Partage dans les Mêmes. Des conditions supplémentaires peuvent s'appliquer aux fichiers multimédias.