uitdagend

Dutch

Pronunciation

  • (file)

Adjective

uitdagend (comparative uitdagender, superlative uitdagendst)

  1. daring, dashing

Inflection

Inflection of uitdagend
uninflected uitdagend
inflected uitdagende
comparative uitdagender
positive comparative superlative
predicative/adverbial uitdagenduitdagenderhet uitdagendst
het uitdagendste
indefinite m./f. sing. uitdagendeuitdagendereuitdagendste
n. sing. uitdagenduitdagenderuitdagendste
plural uitdagendeuitdagendereuitdagendste
definite uitdagendeuitdagendereuitdagendste
partitive uitdagendsuitdagenders

Participle

uitdagend

  1. present participle of uitdagen

Inflection

Inflection of uitdagend
uninflected uitdagend
inflected uitdagende
comparative
positive
predicative/adverbial uitdagend
uitdagende
indefinite m./f. sing. uitdagende
n. sing. uitdagend
plural uitdagende
definite uitdagende
partitive uitdagends
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.