uitgraven

Dutch

Etymology

uit + graven

Pronunciation

  • (file)
  • Rhymes: -aːvən

Verb

uitgraven

  1. to excavate

Inflection

Inflection of uitgraven (strong class 6, separable)
infinitive uitgraven
past singular groef uit
past participle uitgegraven
infinitive uitgraven
gerund uitgraven n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular graaf uitgroef uituitgraafuitgroef
2nd person sing. (jij) graaft uitgroef uituitgraaftuitgroef
2nd person sing. (u) graaft uitgroef uituitgraaftuitgroef
2nd person sing. (gij) graaft uitgroeft uituitgraaftuitgroeft
3rd person singular graaft uitgroef uituitgraaftuitgroef
plural graven uitgroeven uituitgravenuitgroeven
subjunctive sing.1 grave uitgroeve uituitgraveuitgroeve
subjunctive plur.1 graven uitgroeven uituitgravenuitgroeven
imperative sing. graaf uit
imperative plur.1 graaft uit
participles uitgravenduitgegraven
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.