uitwijzen

Dutch

Etymology

uit + wijzen

Pronunciation

  • (file)

Verb

uitwijzen

  1. to point out, indicate
  2. to prove, demonstrate
  3. to expel, exile, extradite

Inflection

Inflection of uitwijzen (strong class 1, separable)
infinitive uitwijzen
past singular wees uit
past participle uitgewezen
infinitive uitwijzen
gerund uitwijzen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular wijs uitwees uituitwijsuitwees
2nd person sing. (jij) wijst uitwees uituitwijstuitwees
2nd person sing. (u) wijst uitwees uituitwijstuitwees
2nd person sing. (gij) wijst uitweest uituitwijstuitweest
3rd person singular wijst uitwees uituitwijstuitwees
plural wijzen uitwezen uituitwijzenuitwezen
subjunctive sing.1 wijze uitweze uituitwijzeuitweze
subjunctive plur.1 wijzen uitwezen uituitwijzenuitwezen
imperative sing. wijs uit
imperative plur.1 wijst uit
participles uitwijzenduitgewezen
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.