aanhouden
Néerlandais
Verbe
Présent | Prétérit | |
---|---|---|
ik | hou aan | hield aan |
jij | houdt aan | |
hij, zij, het | houdt aan | |
wij | houden aan | hielden aan |
jullie | houden aan | |
zij | houden aan | |
u | houdt aan | hield aan |
Auxiliaire | Participe présent | Participe passé |
hebben | houden aand | aangehouden |
aanhouden \Prononciation ?\ transitif
- Ajourner, différer, reculer, renvoyer, retarder, suspendre.
- Een rechtszaak aanhouden.
- Ajourner un procès.
- De uitvoering van een proces aanhouden.
- Suspendre l’exécution d’un procès.
- Een zaak aanhouden.
- Retenir une affaire, surseoir.
- Een rechtszaak aanhouden.
- Persister, persévérer.
- Indien de overmacht meer dan dertig dagen aanhoudt.
- Si la force majeure persiste au-delà de trente jours.
- Indien de overmacht meer dan dertig dagen aanhoudt.
- Continuer, durer.
- Garder.
- Zijn jas aanhouden.
- Garder son manteau.
- Zijn jas aanhouden.
- Prolonger.
- Je moet niet zo aanhouden.
- Tu ne dois pas insister de la sorte.
- Je moet niet zo aanhouden.
- Arrêter, appréhender, interpeller.
- Aangehouden.
- En état d’arrestation.
- De aangehoudene.
- Le détenu, la détenue.
- Aangehouden.
Synonymes
ajourner
durer
arrêter
Prononciation
- Pays-Bas : écouter « aanhouden »
Cet article est issu de Wiktionary. Le texte est sous licence Creative Commons - Attribution - Partage dans les Mêmes. Des conditions supplémentaires peuvent s'appliquer aux fichiers multimédias.